Door Erik Seghers
Her en der fladderen ze nog wat rond, alsof ze vergeten zijn waar hun nest ligt. Maar uiteindelijk landen ze allemaal weer veilig in hun vertrouwde thuishaven: het nest van de Snelvoeters. Sommigen sleuren hun verdomde tweewieler mee op reis alsof het hun pasgeboren kind is, anderen geven de voorkeur aan alternatieve verslavingen: cultuur snuiven (letterlijk en figuurlijk), oude stenen bewonderen, alcohol proeven (ja, dat is drank met meer dan 0.0% alcohol – voor de duidelijkheid), speleologie, mosselen slurpen, pruimen plukken… het leven is een buffet.
En ik? Ik sta hier weer op de parking van Kalfort, met dat carbonnen ding tussen mijn benen alsof ik op het punt sta een Tour-etappe te winnen. Normaal had onze nieuwste aanwinst, Casper, hier vandaag zijn glorieuze debuut gemaakt. Maar neen hoor, hij moest op wandel met papa Joren – waarschijnlijk om de geur van babydoekjes en luiers op te snuiven. Opa Marc zou vandaag eigenlijk de inspanningen van die twee kleine deugnieten moeten compenseren.


Het aantal deelnemers vandaag? Iets tussen de 18 en 20. Patrick koos halverwege voor de vlucht vooruit – niet uit angst, maar om zijn zondagse late shiftpremie op te strijken. Prioriteiten, weet je wel. Jan Sys was onderweg spoorloos verdwenen. Of was hij er nooit? Niemand weet het zeker, zelfs Jan niet. Christophe had een nachtje uitgeslapen en sloot zich op het einde aan alsof hij gewoon even naar de bakker was geweest.
Philippe had ambitieuze plannen om mee te rijden, maar nog voor de start had hij zichzelf al vakkundig uitgeschakeld door over een kapotte fles van een dronken Pukemaer te rijden. De fles overleefde het niet. Philippe ook niet, qua fietsplannen.
Maar wij? Wij waren vertrokken. Voor de rit van kinderdagverblijf Meermans – zijn geliefde parcours naar en rond Aalst. Een route zo vertrouwd dat zelfs de wind wist waar hij moest zijn: pal op de kop, in volle glorie. Onze vaste waarden schitterden door afwezigheid, maar de vervangers waren van topniveau. Patrick (de Premiejager), Nikolaas (met zijn glorieuze pornosnor uit de jaren 80), Meneer Peytier (altijd correct, zelfs als hij fout rijdt), jong talent Styn (nog fris, nog naïef), en krachtpatser Bjorn (die zijn fiets eigenlijk als halter gebruikt).
Over de kasseikopjes van Kouterslag in Gijzenzele stoven we richting onze stop in Melle. De man van Melle was niet meer – hij is nu de man van Merelbeke. Maar ook die was nergens te bespeuren. Gelukkig was er geen gebrek aan gezelligheid. Voor eenzaamheid moest je hier niet zijn. Tenzij je achteraan reed. Dan was je gewoon te traag.

Na een korte break – lees: een gevecht met een kleverige energiereep en een bidon die niet meer openging – kropen we verkleumd (en licht verkrampt) terug op de fiets voor de laatste 45 kilometer. En jawel, we hadden geluk: rugwind! De heilige graal van elke wielertoerist. De koude was plots vergeten, het geklaag en gezaag ebte weg als een slecht huwelijk na een goede advocaat. Vanaf nu ging het vooruit. Harken, stoempen, puffen. (Geen zorgen, UCI, het was puur spierkracht. Denk ik.)
Onderweg nog even appels geplukt – want waarom niet? – en dan via de Provinciale Steenweg richting ons vertrouwde nest. En wat kregen we daar onder onze wielen? Een gloednieuw fietspad, zo glad dat zelfs onze carbonnen ros begon te spinnen van geluk. Terug naar waar het allemaal begon, deze ochtend. Met een grijze start, halfopen ogen en de hoop dat de rit ons zou veranderen. Spoiler: we zijn nog steeds dezelfde zotte bende, maar met iets meer zadelpijn.