Door Erik Seghers
100 kilometer. Daar komen wij op zondag ons bed niet meer voor uit.
Als ze ons dat op een vrijdag voorschotelen, dan willen we daar misschien nog wel eens een nachtje voor doorhalen. Al lopend welteverstaan. Om dan als een halve dode over de streep te strompelen, toch diegene die twaalf uur later diezelfde streep oversteken.
Maar vandaag geen lijken op de fiets. Robbe en Senne waren misschien nog aan het nagenieten van een welverdiende massage. Al zouden we op het einde van de rit nog iemand tegenkomen met poten die duidelijk de rekening van de dag ervoor gepresenteerd kregen.
Vandaag moest het dus van anderen komen tijdens deze rit van 135 kilometer. Gelukkig lopen er nog genoeg zotten rond op deze wereld.
Het eerste uur vloog voorbij. Voor we het goed en wel beseften, passeerden we al het REV-supporterslokaal in Schepdaal. Normaal komen we daar veel later voorbij, wanneer de tank stilaan op reserve begint te draaien, maar vandaag reden we het parcours in “reverse”. Langs de andere kant.
En nee Patje, ik bedoel niet letterlijk de andere kant. Het feest zit bij mij namelijk altijd aan de voorkant.
Nog 100 kilometer te gaan. Misschien werd dit toch nog onze persoonlijke Dodentocht?
Aan het volume van het gekwetter te horen was er echter nog geen sprake van vermoeidheid. Toch niet bij onze drie vrouwelijke leden. Dat was voor de mannen het sein om er een stevig snokje aan te geven.
Mooie glooiende weggetjes en smalle baantjes schoten onder onze wielen door. Prachtige landschappen verblindden onze ogen. En het ging hard.
Nee Patje, niet dát hard. Gewoon snel.
De ene ‘elling’ na de andere diende zich aan. We zaten dan ook letterlijk in het gehucht Elingen. Plots kreeg ik zin in een frisse Hoegaarden, maar helaas zaten we in Bogaarden. Het leven kan soms onrechtvaardig zijn.
Het Franstalige gedeelte van België, met Bierghes en Enghien, wilden we snel achter ons laten. Dat lukte wonderwel, want voor we het wisten reden we Tollembeek binnen.
Daar stond hij: Urbanus. Samen met Nabuko Donosor en Amadee de Strontvlieg. Al leek die laatste verdacht veel op een bij die zich had vergist van job.
Je zou denken: stront aan de knikker. Maar nee hoor. Achter de hoek wachtte onze bevoorrading.
De Hittentitten hadden dorst. En een klein hongertje.


De rit verliep verrassend vlot en soepel, tot onze piloot Tom lachend zei:
“Nu begint het echte werk.”
Toen Eufrazie dat hoorde, pakte ze vliegensvlug haar cola, stak ze deze in haar achterzak en zette het op een lopen met haar fiets.
Na twee hellingen was het koppel echter alweer herenigd. Een klopje op de poep, een paar lieve woordjes, en alle hectiek was vergeten.
Na Vollezele leek het alsof we een zoo binnenreden. Zwartschaap, Paddenbroek en Koekoek passeerden allemaal de revue. Het gelach klonk opnieuw door het peloton.
Of kwamen die decibels gewoon van ons nieuw lid, Zebra Thierry?
Nog één helling scheidde ons van de laatste 25 kilometer. Daarna ging het razendsnel. Er werd stevig doorgetrokken en hier en daar zelfs een klein beetje afgezien. Maar dat geven wielertoeristen natuurlijk nooit toe. Dieter gaf er op tijd de brui aan.
Voor we het beseften stonden we alweer aan ons clublokaal.
Boterhammen, eentje met keis en heps, en de nodige drankjes, mét of zonder 0, vlogen van hand tot mond. Het was duidelijk dat er meer honger was dan enkele uren voordien werd toegegeven.
Het was een prachtig parcours. In alle opzichten.
Al was het mooiste misschien nog wel Lieke Nooijen, die ons vriendelijk goeiedag zei om vervolgens weg te rijden alsof wij met de handrem erop fietsten. Ze liet ons achter als een zak aardappelen. En eerlijk? Zelfs die zak aardappelen reed waarschijnlijk nog sneller dan wij.