Een beetje Schepdaal in Groot-Bijgaarden
Door: Erik Seghers
Onze grondtroepen stonden paraat in het frisse ochtendgloren. Het leek acht uur, maar het bleek al negen uur te zijn — tijd is relatief, zeker als er enkelen hun Garmin niet gesynchroniseerd hebben. Wachten op een officiële GO gingen we sowieso niet doen.
En al helemaal niet op een seintje van een of andere clown… al hadden we er wél eentje bij. Marc Verheyen, herkenbaar aan zijn iconische oranje sokjes — sokken die zó opvallend waren dat hij zonder moeite als interim-artiest in het circus kon springen. Nog een rode neus erbij en de kinderen hadden tenminste iets gehad om naar te zwaaien.

Onze piloot begon de dag nog even met een banaan — bijna mét schil, want waarom tijd verliezen? Daarna nog snel een artistiek straaltje water tegen de elektriciteitskast, onder toezicht van een bosduif die duidelijk vond dat dit kon tellen als moderne kunst. Onze generaal van dienst was klaar voor vertrek.
In de eerste kilometers sloten er nog wat twijfelaars aan: uiteindelijk reden we met 25 snelvoeters en één gazelle. Na dertig kilometer vroeg ik me eerlijk af: “Waar gaan we in hemelsnaam die hoogtemeters halen?” Het antwoord kwam prompt: vals plat. De natte droom van elke wielertoerist die denkt dat hij berggeit-materiaal is.
Na een gezamenlijke plaspauze — synchronisatie-niveau Olympisch Team Pisbak Mikado 2026 — lieten we de schreeuwende boer achter ons. Niemand weet waarom hij riep. Misschien dacht hij dat we zijn koeien kwamen kidnappen. Misschien wou hij meefietsen. Misschien was hij gewoon boos op het leven. Jelle was er in elk geval even niet goed van.
Tien kilometer later verscheen de eerste klim. Het nichtje van Dave zakte er meteen volledig door. Geen klimmer? Platte benen? Nee joh, platte tube. Ook wat.
Hans V.H. stond moederziel alleen de band te vervangen — iets wat natuurlijk meteen een tiental vrijwilligers aantrok zodra bleek dat het Silke was die hulp nodig had. Het was bijna gênant. Bijna.

Met een nieuwe band kon ze weer vooruit. De twee kopmannen van vorige week waren er vandaag niet bij; die hadden gekozen voor een alternatief parcours: een marathon in Gent in 3u18. Ongelooflijk. Wij doen daar even lang over, maar dan wél met ondersteuning van een carbonnen fiets.
Gelukkig hadden we waardige vervangers: Bjorn, Dave, Jelle, Jos en Jan Sys nam ook wat kopwerk op zich. De zon scheen, we genoten, tot Willy — onze generaal — besliste dat het tijd was voor extra special effects. Op de Kouter had hij persoonlijk nog wat plassen en modder bijbesteld, zodat iedereen na twee meter eruitzag als een slecht gecamoufleerde koeienvlaai.
Ons grondoffensief veranderde in een loopgravenexpeditie: modder op de kaders, modder op de smoelen, modder op plekken waar nooit modder hoort te zitten. Maar hé: géén slachtoffers. Dat alleen al was nieuwswaardig. We konden nog waardig de spiegel openklappen.
Aan de finish kwam er geen sprint aan te pas. Logisch.
En zeker niet van Jelle, want die mag van de dokter geen korte, explosieve inspanningen doen. Maar hoe hij dát thuis gaat uitleggen aan de vrouw, is zijn probleem.

